Hoofdpagina   |  Leergang Kabbala   |  Leergang Hebreeuws   |   Contact   
"Het bestuderen van de Kabbala biedt de mens de mogelijkheid om de redenen van de gebeurtenissen in onze wereld te begrijpen om nog tijdens ons leven in deze wereld de absolute volmaaktheid van kennis en geluk te verkrijgen."





  Korte Biografie van Jehoeda Ashlag


 
Toen Ashlag net zeven jaar oud was, viel het boek Zohar vanuit de boekenkast op zijn hoofd, terwijl hij in bed lag.

"Wat is dit?" vroeg hij zijn vader.

"Dit boek is bedoeld voor engelen, niet voor mensen," zei zijn vader.

"Als het is gepubliceerd," antwoordde de jonge Jehoeda, "moet dat betekenen dat het voor iedereen is bedoeld.”

"Maar niet voor jou," zei zijn vader, volgens zeggen.

De jongere Ashlag (die werd geboren in Warschau, in 1885), was niet overtuigd door dit antwoord. Hij zou, volgens zeggen, terwijl hij nog een tiener was bladzijden uit rabbi Isaac Luria’s ‘Ets Chajim’ (Boom des Levens) scheuren en deze verbergen in het deel van de Talmoed die hij verondersteld werd te bestuderen. Tot rabbijn gewijd op 19-jarige leeftijd, had Ashlag een reputatie als een meesterlijke talmoedist; hij werd al gauw benoemd in een onderwijzende betrekking en werd ook beschouwd als een expert in het bemiddelen van gerechtelijke geschillen.

In chassidisme en kabbala, was Ashlag een student van de rebbe van Prosov, die behoorde tot de school van de beroemde Kotzker rebbe, die zelf de kleinzoon was van één van de grote chassidische meesters, ‘de heilige Jood’. Maar de Prosover rebbe was blijkbaar niet zijn enige mentor. In een brief aan zijn oom, waarvan de inhoud pas na zijn dood aan zijn familie en leerlingen bekend werd, beschrijft Ashlag een geheimzinnige leraar te ontmoeten in Warschau in 1918: De leraar, een bekende koopman wiens identiteit Ashlag niet openbaart, onderricht hem in de geheimen van de kabbala tijdens middernachtelijke leersessies die drie maanden voortduren, en verdwijnt plotseling nadat zijn student zwelt van trots. Ongeveer twee maanden later, ontmoet Ashlag zijn leraar weer – wat de laatste keer blijkt te zijn. Na het onthullen van een groot geheim, wordt de geheimzinnige leraar zichtbaar zwak en sterft de volgende dag. Ashlag, rouwend, vergeet bijna alles wat hij weet, volgens de brief, maar uiteindelijk, na “eindeloos verlangen en hunkeren, werd mijn hart geopend met verheven wijsheid als de wateren van een aldoor wassende bron.”

Ashlag, zo wordt gezegd, heeft de Thora vrijwel onophoudelijk bestudeerd, doch zijn nieuwsgierigheid en zijn niets ontziende zoektocht naar waarheid, voerden hem aldus ver voorbij de grenzen van de bet midrasj. Hij leerde duits en las Hegel, Schopenhauer, Marx en Nietzche in het origineel. Tijdens de onstuimige jaren na het einde van de eerste wereld oorlog, nam Ashlag deel aan socialistische demonstraties in de straten van Warschau, en volgde scherp de politieke ontwikkelingen in de wereld.

In 1921, op 36-jarige leeftijd, nam Ashlag een plotseling besluit om naar het land Israël te verhuizen. Volgens Gottleib, wiens bron een conversatie is die één van Ashlag’s studenten had met zijn leraars vrouw, Rivka Roize, was Ashlag overtuigd geraakt dat hij enkel in het land Israël in staat zou zijn nieuwe geestelijke uitdagingen te vinden; als hij in Polen was gebleven, zou hij letterlijk dood gaan, genomen door G’d, omdat zijn werk daar over was. Zijn beslissing om te emigreren was zo haastig dat hij gedwongen was om verscheidene van zijn kinderen achter te laten bij verwanten in Warschau, en zijn vrouw te verlaten, die tijdens de reis naar Palestina, in Tsjecho-Slowakije beviel; zij voegde zich verscheidene maanden later weer bij hem. Eenmaal in Israël, liet hij de kinderen die hij had meegenomen in immigrantenhuisvesting in Jaffa en ging, rijdend op een ezel, op weg naar Jeruzalem. Als een pijl snellend naar zijn doel, ging Ashlag naar de Bet El jesjiwe in de oude stad, welke gedurende honderden jaren een centrum was geweest voor kabbala studie in de sefardische traditie, en gedurende de afgelopen 200 de leringen van de jemenitische kabbala meester Rabbi Sjalom Sjarabi (RaSjaSj) heeft beoefend.

Maar Ashlag werd bitterlijk teleurgesteld met kabbalisten van Jeruzalem. In een verslag van zijn ontmoeting met hen, viel Ashlag ruw de sefardische benadering tot kabbala aan, als lijnrecht tegengesteld aan die van hemzelf. Ashlag zocht om de innerlijke betekenis van de kabbala te ontsluiten en uit te drukken, welke hij verstond als het meest krachtige voertuig voor menselijke transformatie. Hoewel verscheidene van de leerlingen van Bet El de Zohar en de luriaanse werken uit hun hoofd kenden, beweerden zij, volgens Ashlags verklaring, dat het menselijk niet mogelijk was de betekenis van de kabbala te begrijpen, en dat zelfs Luria zelf de betekenis van de symbolen en processen die hij beschreef, welke tot hem kwamen als een openbaring van Elija de profeet, niet begreep, “G’d verhoedde”, Ashlag herroept hun antwoord op zijn vragen.

"Er is geen ‘innerlijke betekenis’ – enkel woorden zoals zij werden geschreven en aan ons overhandigd en niets meer.” Door het herhaling en meditatie op deze heilige woorden, wiens betekenis totaal voorbij het menselijke bevattingsvermogen is, hoopten de Bet El kabbalisten geestelijke vooruitgang te verkrijgen en uiteindelijk de Masjiach te brengen. Ashlag noemde de Bet El kabbalisten “dwazen” en beschreef te zijn overvallen door een geest van vurige ijver na zijn ontmoetingen met hen. Deze geest doordrong hem van de taak die hem voor de rest van zijn leven zal bezighouden: onthulling van het kabbalistische gewaad in zo’n mate dat het bekend zal worden dat er wijsheid is in Israël.

Ashlag verzette zich krachtig tegen het geld verdienen met het onderwijs van kabbala en was even fel in het zich verzetten tegen de populaire associatie van kabbala met magie. Hoewel joodse mystiek van het begin af aan een magische component bevat – al in de talmoed zijn er verslagen van rabbijnen die goddelijke namen gebruiken om levende wezens te scheppen, en van het vermogen van kabbalisten tot levitatie, lange afstanden te reizen in een moment, en gedachten te lezen is het algemene goed van joodse legende – vele kabbalisten hebben magie ook veroordeeld als misbruik van heilige kracht voor persoonlijk gewin. Ashlag zag een obsessie met het wonderbaarlijke als een afleiding en beletsel voor de ware uitdaging: de zeer strenge en constante inspanning noodzakelijk voor geestelijke metamorfose. Hij weigerde consequent zich bezig te houden met activiteiten zoals wonderbaarlijke genezing, zegeningen of droom interpretaties, welke voor andere kabbalisten deel van hun dagelijkse routine waren.

Voor Ashlag is kabbala niet demonisch, geheimzinnig of magisch, maar logisch; het volgt een wetenschappelijke vorm van denken. Eén van Ashlag’s nieuwigheden maakt er aanspraak op dat het Jodendom een geestelijke wetenschap heeft: de kabbala. En deze geestelijke wetenschap is het meest gericht op de mensheid. De benadering van Ashlag was het tegenovergestelde, dat alles praktisch is, deel uitmaakt van deze wereld, de wereld van actie. Hij interpreteerde bijvoorbeeld, het breken van de vaten en hun correctie in termen van de menselijke samenleving, Het corrigeren van de samenleving betekent zorgdragen dat iedereen krijgt wat hij nodig heeft en geeft waar hij toe in staat is. Alle onrechtvaardigheden en de sociale hiaten zijn er omdat sommige mensen meer ontvangen dan zij nodig hebben. Dit vernietigt zowel hen als de hele wereld. Het overvloedige stromen vanuit het heelal is genoeg. Indien de distributie juist was, zou iedereen kunnen leven zonder zorgen.

Waar veel van de vroegere kabbala en chassidisme de rol had benadrukt van individuele handelingen, intenties, en toewijding om de vonken op te rakelen, plaatste Ashlag kwesties van sociale en economische rechtvaardigheid in het centrum van het kabbalistisch proces van tikkoen. Zes jaar na zijn aankomst in Jeruzalem, publiceerde Ashlag zijn eerste werken van kabbala – een commentaar op zeer belangrijke secties van Luria’s ‘Boom des Levens’, genoemd ‘Panim Meirot’ en ‘Panim Masbirot’ waarin hij de basistaal en concepten introduceert die hij de rest van zijn leven zal gebruiken bij het interpreteren van de kabbala. De essentie van zijn vernieuwing is zijn radicale verplaatsing van het zwaartepunt van waar kabbala over gaat, en in zijn opnieuw focussen op het ongelovelijke complexe luriaanse verslag, welke het verhaal vertelt van kosmische schepping en verlossing als draaiend om een enkele spil: de transformatie van de mensheid van laag en zelfvernietigend egoïsme naar een altruïsme dat elk individu tot een kanaal voor goddelijk licht maakt.

Chassidisme legde vanaf het begin de nadruk op het ethische bij het interpreteren van de kabbalistische traditie en hechtte weinig belang aan het mystieke. Maar Ashlag was de eerste die toonde hoe de innerlijke logica van de luriaanse kabbala, in al zijn veelheid aan details, een voertuig kon worden voor ethische transformatie. Hij schrijft de ‘Talmoed esser hasfirot” (de leer van de tien sfirot) dat uit zes boekdelen bestaat en meer dan 2000 pagina’s telt. Door dit zesdelige werk op juiste wijze te bestuderen, onder de juiste leiding, want er zijn bepaalde condities, bepaalde sleutels die met de juiste aanpak de stof op correcte wijze ontsluit, openbaart de hoogste wereld zich aan de mens.

De mens begint het heelal waar te nemen, hij begint in al zijn organen datgene waar te nemen, wat werkelijk buiten zijn zintuigen bestaat, maar vanwege hun grofheid, hun beperktheid, niet door hen waarneembaar is. In het voorwoord van dit werk schrijft hij dat dankzij het feit, dat het hem van boven werd gegeven om ‘De leer van de tien sfirot’ te schrijven, iedereen het hoogste punt van de ontwikkeling van zijn ziel kan bereiken, waarbij men qua eigenschappen aan de hoogste kracht, aan de Schepper zelf kan gaan gelijken. Hij kan, terwijl hij zich nog in zijn lichaam bevindt, de meest hoge geestelijke toestanden bereiken, zodanige toestanden, dat zijn lichaam geen belemmering tussen zijn ziel en zijn huidige bestaan is, dat er voor hem geen verschil zou zijn tussen wel of niet in dit lichaam te leven.
Daardoor kan hij vrijuit overgaan van wereld tot wereld en in alle werelden tegelijkertijd bestaan, dus buiten tijd en ruimte gaan, in de volmaaktheid. Dat kan, schrijft Jehoeda Ashlag middels zijn methode, die absoluut voor een ieder geschikt is.

Zoals Ashlag zelf schrijft, dient hij als de volgende neerdaling, de belichaming, van dezelfde ziel die vanaf Adam via Awraham, Mosje, rabbi Sjimon en AR”I trok. Daarom kon hij alle werken doornemen, bewerken, uiteenzetten en ons in zo’n vorm aanbieden die juist voor ons, zijn tijdgenoten, geschikt is. Merkwaardig is dat ondanks het feit dat Jehoeda Ashlag in onze tijd leefde, precies hetzelfde met zijn manuscripten gebeurde als met het boek Zohar en de boeken van AR”I. Een deel van zijn boeken werd in kelders verborgen, een deel werd verzameld, een deel werd verbrand, en allemaal kwamen zij in onze tijd boven water. Ashlag’s kabbala verduidelijkt de dialectische aard van het proces dat Luria voorstelde. G’ds wens is om genoegen en gelukzaligheid te verschaffen, welke de essentie van Zijn licht is.

Maar genoegen, fysiek of geestelijk, kan enkel worden ervaren als eer een begeerte naar is. G’d schept dus ‘de wens om te ontvangen’, welke de essentiële natuur van de schepselen is, en zeer tegenovergesteld is aan de goddelijke wens om te geven. Het verlangen van de schepping om te ontvangen plaatst haar op een afstand van G’d, het absorberen van Zijn licht onmogelijk makend. De enige oplossing voor schepselen is om een altruïstisch verlangen om te geven te ontwikkelen naast hun hoog ontwikkelde verlangen om te ontvangen. Dit kan door de studie van kabbala worden verwezenlijkt, welke zuiverend goddelijk licht in de geest brengt, door geloof, en bovenal door praktijk: door een gemeenschap te ontwikkelen, gebaseerd op liefde tussen zijn leden en een samenleving gebaseerd op economische rechtvaardigheid. Na zijn aankomst in Jeruzalem in 1921, bracht Ashlag ongeveer twee jaar door trachtend incognito te leven, overdag handenarbeid verrichtend om zijn familie te onderhouden, en ’s nachts studerend en schrijvend.

Hij is rusteloos, zijn enorme gevoel van zijn opdracht garandeert dat hij nergens inpast, zijn radicale opvattingen prikkelen tot tegenstand. In 1926 reist hij naar Londen, waar hij twee jaar schrijvend en studerend doorbrengt. In 1928 gaat hij terug naar Givat Shaul, maar binnen vier jaar verhuist hij weer – naar Tel Aviv. Spoedig na aankomst in Jeruzalem, begint hij een toegewijde groep studenten te verzamelen; volgens zijn instructies, moeten zij door handenarbeid in hun levensonderhoud voorzien, en zij moeten om 2 uur ’s nachts velden trotseren vol met wolven en bandieten om zijn huis in Givat Shaul te bereiken voor hun nachtelijke les in kabbala. Echter, zijn groep, hoezeer toegewijd, bleef klein. Zijn openlijk verklaarde geloof dat kabbala niet langer als een esoterische discipline zou moeten worden beschouwd en dat zelfs jonge mannen haar zouden moeten bestuderen, samen met zijn groeiende overtuiging dat enkel kabbala de wereld voor ramp kan behoeden, en dat kabbalistische ideeën “verspreidt zouden moeten worden als een krant” – alles maakt hem een controversieel figuur binnen de ultra-orthodoxe wereld.

En niet alleen daar. In 1933 probeert hij zijn ideeën in de vorm van een krant te verspreiden, beginnend met een pamflet waarvan de koptekst luidt: “Toegewijd aan de verspreiding van originele rapporten over de joodse ziel, religie en de wijsheid van kabbala onder de wegen van de mensen.” In 1940 begint hij een andere publicatie: een tweewekelijkse krant genoemd Ha'oema (het volk). De centrale opdracht van de Thora, zegt Ashlag in zijn verhandelingen, is “Heb uw naaste lief als uzelf”- en hij vertaalt dit als een goddelijke eis om een nieuwe wereldorde tot stand te brengen, gebaseerd op radicale economische gelijkheid, “van een ieder in overeenstemming met zijn capaciteiten, naar een ieder in overeenstemming met zijn behoeften.”

Alle enorme geestelijke energieën van Ashlag - zoveel als 10 uur per keer – waren overdenkingen van kabbalistische ideeën en werden gekanaliseerd in zijn episch project, het HaSoelam commentaar op de Zohar. Voor een lange tijd werd Ashlag in bezit genomen door een gevoel van goddellijke wijding: Zijn ziel werd de taak toegewezen om een kabbalistische taal voor de moderne tijd, een tijd wanneer ‘de wens om te ontvangen’ zich uitbreidt tot de grenzen van zijn capaciteit, zowel uiteindelijk verlossing als verschrikkelijke vernietiging tot de aanstaande mogelijkheden makend. In een brief aan zijn vader, geschreven in 1927, uit hij al de overtuiging dat hij “bezwangerd” is geworden – een kabbalistische term voor een proces waarin de ziel van een tsaddiek van een vorige generatie, een levend persoon binnenkomt en zich daarmee vermengt, om hem in staat te stellen een grote taak uit te voeren – door de ziel van rabbi Isaac Luria: “En weet met zekerheid dat van de tijd van Ha’Ari (letterlijk: de leeuw; Luria’s bijnaam) tot deze dag, er niemand is geweest die de methode van Ha’Ari tot aan zijn wortels heeft begrepen.

En zie, door de wil van G’d, ben ik begunstigd met een bezwangering met de ziel van Ha’Ari, zijn nagedachtenis zij tot zegen, niet vanwege mijn goede daden, maar door de goddelijke wil, om redenen die ik zelf niet begrijp, en ik kan niet uitweiden over deze kwestie omdat het niet mijn manier is om over wonderen te spreken.” In de ‘Introductie van de Zohar’, gedrukt aan het begin van zijn HaSoelam, uitte hij hetzelfde idee: dat zijn meesterlijke interpretatie een nieuw tijdperk markeert, gelijk aan het verschijnen van de Zohar en de werken van Luria zelf.

Hoewel hij zich resoluut verzet tegen kabbalistische wonderdoenerij en krachtig debatteert dat de verlossing van de mens zich als deel van een natuurlijk proces moet ontvouwen, vermoeden zijn loyale leerlingen soms dat hun meester, in nabije duisternis werkend, zich eigenlijk bevindt midden in zich openbarende gebeurtenissen die van invloed zijn op het joodse volk – en de gehele mensheid. Gedurende de onafhankelijkheids-oorlog zat Ashlag dagelijks met verscheidene van zijn studenten voor een kaart van Israël, de uitkomst van gevechten te voorspellen, “zijn chassidim wisten zeker dat het verloop van de oorlog zich uitwerkt binnenin hun leraar op een innerlijk niveau.” Zijn kleinzoon vertelde dat hij in 1953 naast Ashlag aan een feestelijk maal zat in het Herzliya hotel in Tsfat, de voltooiing van HaSoelam vierend: “Plotseling, toen mijn grootvader een langzaam en bezielde melodie aan het zingen was die hij had gecomponeerd, riep de eigenaar van het hotel, Mosje Perl, opgewonden, ‘Aan deze tafel hebben wij zojuist Stalin vermoord!’ Wij allen dachten dat hij gek was, maar op de terugweg van het hotel, hoorden wij op de radio dat Stalin dood was.”

En bij een andere viering, in Meron, vertelde hij zijn volgelingen dat de publicatie van HaSoelam ook een aanwijzing was dat wij in messiaanse tijden leven. In andere generaties, konden zeer weinigen grote hoogten van geestelijke kennis en gehechtheid aan G’d bereiken, en zelfs aan hen zou niet alles kunnen worden geopenbaard. Maar in onze generatie zijn wij begunstigd met het geschenk van de interpretatie van HaSoelam, welke volledig alles wat in de Zohar staat verklaart in termen van het simpele analytische verstand, zodat de gemiddelde persoon het kan begrijpen en dit is een duidelijk bewijs dat we in de messiaanse tijd leven, het begin van die generatie waarvan er werd geschreven: “En de aarde zal gevuld zijn met kennis van G’d, zoals water de zeeën omvat.

Waarom vergde het een halve eeuw tot de leringen van Jehoeda Ashlag zich buiten de kleine kring van zijn directe studenten en hun volgelingen verspreidden? Eén antwoord ligt in het feit dat zijn zonen ervoor kozen om zich in Bnei Brak te vestigen, binnen de ultra-orthodoxe wereld, elk pogend om een nieuwe chassidische dynastie te vestigen, waarvan beiden opeisten de gekozen leider te zijn. Voor alles ligt, zijn nadruk op het herstellen van de samenleving, de unieke aantrekkingskracht van Ashlagiaanse kabbala in de weg die hij verschaft voor individuele realisatie. Ashlags systeem geeft een persoon gereedschap om zichzelf in elke gegeven situatie te grijpen en te weten waar hij geestelijk staat. De heldere, systematische aard van Ashlags kabbala maakt het bijzonder aantrekkelijk in een toenemende chaotische wereld. Het verschaft een complete conceptuele structuur voor de ziel.

Ondanks zijn krachtige fusie van mystiek en sociale ideeën, werd rabbi Jehoeda Ashlag, die in 1954 stierf, nauwelijks geregistreerd op het radarscherm van het collectieve geheugen – tot een paar jaar geleden, toen een nieuwe golf kwam die eigentijdse joodse spiritualiteit overspoelde. Op een dag in Jeruzalem in de vroege jaren '50, trachtte een bekende correspondent kabbalist rabbi Jehoeda Ashlag te zoeken. Ashlag probeerde in die tijd HaSoelam (letterlijk: de ladder) te drukken, zijn hebreeuwse vertaling en commentaar op het boek Zohar (het oude, hoogst originele werk over joodse mystiek). Wanneer hij een beetje geld bijeen kreeg, uit kleine donaties, drukte hij delen van zijn HaSoelam.

"Ik trof hem aan in een vervallen gebouw, bijna een schuurtje, welke een oude drukpers herbergde. Hij kon het zich niet veroorloven om een letterzetter te betalen en deed het zetwerk zelf, letter voor letter, uren per keer over de drukpers gebogen staand, ondanks het feit dat hij achter in de zestig was. Ashlag was duidelijk een tsaddiek (rechtvaardig mens) – een nederig mens, met een stralend gezicht. Maar hij was een absoluut marginaal figuur en vreselijk verarmd. Ik hoorde later dat hij zoveel uur doorbracht met het letterzetten dat het lood, gebruikt in het drukproces, zijn gezondheid beschadigde. Een paar jaar later, op de avond van Jom Kippoer in 1954 stierf Ashlag, minder dan twee jaar na de publicatie van zijn monumentale HaSoelam commentaar op de Zohar. Vanaf dat moment werd hij Baal Soelam bijgenaamd (de auteur van HaSoelam).

Traditie schrijft de laatstgenoemde toe aan de misjna geleerde uit de tweede eeuw, rabbi Sjimon Bar Jochaj. Naar wat er gezegd wordt is het het centrale werk van joodse mystiek, een canoniek werk waarvan de aanname dat het heilig is, bijna net zo wijdverspreid is als die van de Talmoed of de Thora zelf. Los gestructureerd als commentaar op de bijbel, registreert de Zohar de leringen van rabbi Sjimon bar Jochaj en zijn volgelingen, die door tweede-eeuws Palestina wandelen onderwijl de diepste geheimen van de schepping, reïncarnatie en de verlossende wegen van het goddelijke licht onthullend. Geschreven in sterk persoonlijk aramees, was de Zohar poëtisch, raadselachtig, elliptisch en soms dromerig, en meditatie op haar vormde de basis voor veel van de kabbala die op zijn publicatie volgde, met inbegrip van de ingewikkelde en autoritaire leringen van Rabbi Isaac Luria, de 16de-eeuwse kabbalistische meester uit Tsfat.

Evenals zijn eerdere boeken – commentaren op de luriaanse kabbala – gaat Ashlags HaSoelam duidelijk over een nauwkeurige, originele en systematische interpretatie van het geheel van joodse mystiek. Ashlags versie van kabbala beloofde individuele transformatie en zelfs persoonlijke verlossing voor degenen die zichzelf toewijden aan zijn studie en uitvoering. HaSoelam genoemd, omdat het een stap voor stap doorgang verschaft tussen hemel en aarde, zoals Jacobs bijbelse droom ladder, geloofde Ashlag dat zijn commentaar, door het ontsluiten van de geheimen van de Zohar, aahangers in staat zouden stellen om opeenvolgende niveaus van geestelijke verlichting met inbegrip van, voor enkele uitgelezenen, de transformatie van hun fysieke lichaam zelf van grof materiaal, in een vat voor goddelijk licht.

Maar Ashlag zelf was nog gepassioneerder bezig met de ver reikende sociale visie die uit zijn begrip van de kabbalistische traditie te voorschijn kwam. Hij vatte de mensheid als één enkele entiteit, zowel fysiek als geestelijk onderling afhankelijk, en geloofde dat slechts een economisch systeem dat dit erkende de mensheid zou kunnen bevrijden en een tijdperk van collectieve verlichting zou kunnen katalyseren. Maar toch, ondanks de krachtige fusie van mystiek en sociale ideeën dat zijn werk presenteerde, bleef Ashlag een randfiguur, zijn persoonlijkheid en ideeën nauwelijks registrerend op het radarscherm van het joods collectief geheugen. Te revolutionair voor de ultra-orthodoxe wereld waar hij altijd een deel van bleef, te abstract en universeel voor de religieus-nationalistische wereld. Wat deze wereld blijkbaar niet begreep was de radicale originaliteit van Ashlags eigen opvatting van de traditie, en het succes van het commentaar HaSoelam in het rangschikken van zowel de poëzie van de Zohar als de luriaanse processen als steun van zijn nieuwe interpretatie van kabbala.